STADSVERWARMING
1982
Gemeentelijke Avondschool voor
Hoger Economisch Administratief Onderwijs
1 s-Gravenhage
Afdeling: BE
H.P. Fruyt van Hertog
INHOUDSOPGAVE
Pag
1. INLEIDING
2 . INVENTARISATIE VAN DE PROBLEMEN BIJ STADSVERWARMING ,        3
2.1     WARMTEBRONNEN VOOR STADSVERWARMING                                                 5
2.2     DE BRANDSTOFKEUZE IN NEDERLAND                                                        9
2.3     DE BRANDSTOFPRIJS                                                                                 10
2.4    MINIMALE ENERGIEKOSTEN BEPALEN                                                       11
2.5     KOSTEN VOOR DE BEWONERS                                                                     12
2.6     TOEPASSEN VAN ISOLATIE BIJ COLLECTIEVE VERWARMINGS-             13 SYSTEMEN
2.7     DE WARMTEBEHOEFTE ALGEMEEN                                                               14
2.8     DE WARMTEBEHOEFTE VOOR EEN EENGEZINSWONING                               16
2.9    HET EFFECT VAN BETERE ISOLATIE OP DE PRIJS VAN DE TE           17 LEVEREN WARMTEHOEVEELHEID
2.10   HET EFFECT VAN BETER&ISOLATIE VOOR DE CONSUMENT T.A.V.       18 DE VERWARMINGSKOSTEN
2.11   ANDERE MAATREGELEN DIE^WARMTEBEHOEFTE VERLAGEN                       19
2.12   DE WARMTEBRON GECOMBINEERD MET ELECTRICITEITSPRODUKTIE       20
2.13   DE BEREIKBARE BRANDSTOFBESPARING BIJ GECOMBINEERDE               25 OPWEKKING
3.       BEPALING VAN DE BRANDSTOFBESPARING                                              27
3.1     DE OVERIGE WARMTEBRONNEN                                                                  28
3.2    DE WARMTEDISTRIBUTIE                                                                          29
3.3     SPECIFICATIE VAN DE OPBOUW VAN HET DISTRIBUTIESYSTEEM 30
3.4    DE HUISAANSLUITING EN DE WARMTEMETING                                        31
3.5     DE HULPKETELfiLS BIJ WARMTEKRACHT INSTALLATIES                         32
3.6    HET WARMTEVERLIES TIJDENS DE ZOMER                                              33
4. VOOR- EN NADELEN VAN GROOT- EN KLEINSCHALIGE SYSTEMEN         34
4.1     DE KOSTEN VAN HET DISTRIBUTIESYSTEEM                                          35
4.2    DE KOSTEN VAN DE WARMTEBRON                                                            36
4.3     DE BEREIKBARE BRANDSTOFBESPARING BIJ EEN DIESEL-OF               37 GASMOTOR
4.4    DE BRANDSTOFKEUZE BIJ STOOMTURBINES                                            38
Pag
4.5    AANLOOPVERLIEZEN, PLANNINGSASPECTEN EN COMBINATIES VAN 39 VERSCHILLENDE BESPARINGSMOGELIJKHEDEN
4.6     INPASSING VAN HET ELECTRISCH VERMOGEN EN BEHEERS-                40 ASPECTEN
5.       DE KOSTEN VOOR DE BEWONERS
5.1    MECHANISCHE VENTILATIE MET WARMTE TERUGWINNING
5.2    MAXIMAAL AAN DE BEWONER IN REKENING TE BRENGEN JAAR-KOSTEN
5.3     HET KOOKGASNET BIJ TOEPASSING VAN STADSVERWARMING
6.       CONCLUSIES T.A.V. OPTIMALE WOONVERWARMING
7.       LITERATUUR
41 44 45
48 50 53
VOORWOORD
Deze scriptie handelt over het streven naar optimale woon-verwarming.
De vraag komt aan de orde of hierbij stadsverwarming doel­matiger kan worden toegepast dan de traditionele gas­gestookte systemen, waarvan in het bijzonder de situatie wordt bekeken met een eigen CV-installatie.
Uitgaande van de gegevens, die mij tijdens het onderzoek ter beschikking stonden, moet ik concluderen dat stadsverwarming op korte termijn zeker niet doelmatiger is en dus onvoordeliger voor de consument. Ook op de langere termijn moet de doelmatigheid betwijfeld worden. Verondersteld wordt een stijgende energieprijs. Echter de voorspelling van rampen ten gevolge van een niet te ontlopen wereldenergie­tekort heeft geleid tot zo'n stroom van onderzoeks­activiteiten op dit gebied, dat nu al moet worden gevreesd voor de gevolgen van de grote energie overschotten die hiervan straks het resultaat zullen zijn. .
Rest mij nog een woord van dank aan mijn scriptie begeleider, Dr. A. Baumgarten RA, voor de adviezen, die door hem werden verstrekt.
Puttershoek, juni 1982
- 1 -
1.
INLEIDING
In 1973 werd de wereld wakker geschud. De prijs van de olie ging met een schok drastisch omhoog, één van de belangrijkste energiebronnen tot dusver.
Dit heeft er toe geleid, dat we ons er van bewust werden, hoe afhankelijk we zijn van een goede energievoorziening. Sindsdien is het onderzoek naar nieuwe en besparende energievormen gestart. Concurrerende alternatieven zijn door de hoger geworden olieprijs ineens rendabel geworden. Door verwachte tekorten in de toekomst wordt een stijgende energieprijs verondersteld, ondanks het krachtige beleid van regeringen om op energie te bezuinigen.
Buiten het ontwikkelen van nieuwe energiebronnen zal er ook een energie besparend beleid moeten worden gevoerd. Het Nederlandse energiebeleid is vastgelegd in de nota Energie­beleid. Deel I kent een tweetal hoofddoelstellingen, namelijk diversificatie van brandstof en energiebesparing. Met betrekking tot Nederland waar aardgas aanwezig is, zal het noodzakelijk zijn bij het gebruik ervan de efficiency op te voeren. Tot één van de toegepaste technieken van dit energiebesparingsbeleid behoren de thans snel oprukkende stadsverwarmingssystemen.
stadsverwarming_scriptie-1.jpg
Het onderzoek wat hierna volgt is een afweging van deze stadsverwarmingssystemen tegenover de traditionele gas­gestookte CV-systemen en in het bijzonder hoe de kosten per geleverde warmte eenheid bij de gebruiker van stads­verwarming zich verhouden tot de kosten van traditioneel toegepaste verwarmingssystemen .
De ontwikkeling van stadsverwarming is niet nieuw, al in 1923 werd in Utrecht stadsverwarming geleverd.
- 2 -
Rotterdam volgde in 1949. Gezien de goedkope brandstoffen, leek er nauwelijks een toekomst te bestaan voor dit ver­warming ssys teem.
Na de energiecrisis in 1973 werd de denkwijze drastisch gewijzigd en kwam stadsverwarming weer volop in de belang­stelling .
Momenteel zijn er in Nederland 13 gebieden waar tot stads­verwarming is besloten c.q. in uitvoering, te weten Alinere, Hoorn, Purmerend , Dordrecht, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Nieuwegein, Enschede, Breda, Helmond, Tilburg en Geertruidenberg.
In nog twintig andere gebieden wordt de mogelijkheid van stadsverwarming druk bestudeerd, te weten Amsterdam, Lelystad, NORON-locatie (bij Haarlem), Schiphol, Delft, Leiden, Spijkenisse, Amersfoort, Arnhem/Huissen, Duiven/-Westervoort, Beuningen/Ewijk, Nijmegen, Almelo, Zwolle, Hengelo, Oosterhout, Dongen, Eindhoven, Leeuwarden en Ge leen .
- 3 -
INVENTARISATIE VAN DE PROBLEMEN BIJ STADSVERWARMING
Wat is stadsverwarming?
Stadsverwarming behoort tot de collectieve verwarmings­systemen, zowel grootschalig als kleinschalig. Onder stads­verwarming wordt verstaan een optimaal systeem waarbij de benodigde warmte voor ruimteverwarming van een vaak zeer groot aantal woningen en gebouwen en eventueel voor het warme tapwater grotendeels in combinatie met electrische energie doelmatig wordt geproduceerd in één centrale produktie eenheid en daarna door middel van een buizen­stelsel wordt getransporteerd en gedistribueerd.
De aanleg en uitvoering van stadsverwarmingssystemen blijkt echter problemen te geven, o.a. door het afspringen van de nieuwbouwplannen en door stagnatie in de besluitvorming. Veelal vraagt men zich af of het geadviseerde kostbare stadsverwarmingssysteem niet te duur is. Zijn er geen andere toepassingen van energiebesparende mogelijkheden, die de voorkeur verdienen.
Samengevat hebben de meeste vragen betrekking op de volgende punten:
-  de kosten en de financiële risico's
-  de tarieven voor de bewoners
-  de wijze van uitvoering (kleinschalige systemen worden niet gepresenteerd, laat staan afgewogen tegen groot­schalige systemen)
-  de dwang en kosten van het electrisch koken
-  de isolatie kwaliteit van de aan te sluiten woningen
-  de gevolgde rekenmethode voor de berekening van de be­sparing en voor de financiële resultaten
-  de hoogte van het vastrecht
-  de beschikbaarheid van aardgas en de prijs, mede op langere termijn, van koken
- 4 -
-  de besluitvormingsprocedure, de keuze van de adviseurs en de rol die de "grote energiewereld" te weten de olie-, gas- en electriciteitsproducenten, daarbij speelt
-  het gebrek aan voorlichting aan de burgers, de geringe invloed van de burgers, de geringe invloed van de consumenten op de te nemen beslissingen en het beheer van de stadsverwarmingssystemen.
Om deze vragen te kunnen beantwoorden worden er optimalisatiestudies uitgevoerd door een groeiend aantal ingenieursbureaus en bedrijven die deskundig zijn op het gebied van energiebesparing. Gestreefd wordt naar een duidelijk overzicht van de bestaande bespa ringsmogelijkheden die een rol kunnen spelen bij woningverwarming zodanig dat het de gemeentelijke bestuurders kan helpen bij de optimale keuze, die past bij de specifieke lokale omstandigheden. In 1980 heeft het Ministerie van Economische Zaken de Commissie Optimalisatie Ruimte Verwarming (CORV) ingesteld. Bekeken worden de voor- en nadelen van o.a. groot- en klein­schalige stadsv erwarming ssystemen.
Bij de aanpak van een collectief verwarmingssysteem is er voor iedere situatie een optimale uitvoeringsvorm. Gekozen moet worden voor het systeem waarbij de belangen van de consumenten voldoende aandacht krijgen, zodat misverstanden worden voorkomen.
- 5 -
3.
WARMTEBRONNEN VOOR STADSVERWARMING
Warmtebronnen voor stadsverwarming, bij een kleiner aantal woningen ook wel wijkverwa nning genoemd kunnen zijn:
-  afvalwarmte die vrij komt bij de produktie van electriciteit
-   een vuilverbrandingsinstallatie
-  vrijkomende afvalwarmte van een fabriek
-  andere warmtebronnen
Bij stadsverwarming in het algemeen kan gesteld worden dat het een relatief groot aantal woningen betreft (4.000 -40.000), die verwarmd worden vanuit één electriciteits-centrale. Dit is dan een van de grootschalige uitvoerings­vormen. Wanneer een kleinere electriciteitscentrale zich in de buurt bevindt van een woonwijk, dringt de gedachte op om de aldaar vrijkomende warmte te benutten voor (wijk) verwarming.
Bij deze overweging zijn vier punten van groot belang:
-  naarmate de afstand van de ce'ntrale tot de bebouwing groter is, nemen de transportkosten voor het warme water toe, evenals de warmteverliezen tijdens het transport
-   hoe groter het woongebied is dat vanuit de centrale moet worden verzorgd, hoe groter de warmteverliezen en de pomp-verliezen in het distributienet zullen zijn. De kosten van het distributienet nemen per woning bij eenzelfde aantal woningen per ha. toe bij een groter wordend verzorgings­gebied. Voor een verzorgingsgraad van bijvoorbeeld 100 woningen kunnen de investeringskosten per woning dalen tot f 1.250,—, bij een groter verzorgingsgebied van meer dan 10.000 woningen en eenzelfde woningdichtheid bedragen die kosten f 3.000,tot f 6.000,— per woning.
- 6 -
-  Naarmate de afstand van de centrale tot het verzorgings­gebied groter wordt, moet in het algemeen ook de aanvoer-temperatuur van het warme water worden opgevoerd. Hierdoor nemen de warmteverliezen toe en is een hogere druk vereist in het pijpleidingsysteem waardoor zwaardere pijpen nodig zijn en wordt het noodzakelijk om tussen stations te bouwen waarin via warmtewisselaars de warmte wordt overgegeven aan het eigenlijke distributienetwerk met lagere temperaturen.
-  De temperatuur van de afvalwarmte, d.w.z. van het koel­water, bij een normale electriteitscentrale bedraagt circa 30°C. De temperatuur van het aangevoerde water moet bij grotere transportafstanden (5 - 20 km) en/of grote verzorgingsgebieden circa 75 - 130°C bedragen. Dit betekent dat er bij dezelfde electriciteitsproduktie extra stoom moet worden gemaakt en dus extra brandstof nodig is om afvalwarmte van hoge temperatuur te verkrijgen. Men spreekt in dit geval dan ook "veredelde restwarmte" in plaats van "afvalwarmte".
Tegenover deze nadelen, die groter worden naarmate de afstand tot de centrale toeneemt en het verzorgingsgebied groter wordt, staat het voordeel dat een reeds bestaande electriciteitscentrale een overvloedig aanbod van warm water kan geven, terwijl er slechts een betrekkelijk eenvoudige en weinig kostbare installatie nodig is om de warmte aan de bestaande centrale te onttrekken. Dezelfde situatie doet zich voor wanneer de warmte afkomstig is van bijvoorbeeld een vuilverbrandingsinstallatie of van een bestaand bedrijf dat veel warmte over heeft.
In het algemeen kan gesteld worden dat een langere transportafstand en een groter verzorgingsgebied eerder verantwoord is naarmate de warmte voor een lagere prijs wordt aangeboden en de investeringen, om de warmte bij het centrale punt beschikbaar te krijgen, kleiner zijn.
- 7 -
Duidelijk is nu dat een distributiesysteem voor warm water in het algemeen i.v.m. de hoge kosten zo klein mogelijk gehouden moet worden. Alleen wanneer een geconcentreerde bron van zeer goedkoop warm water van voldoende hoge temperatuur beschikbaar is kan een groot verzorgingsgebied verantwoord zijn.
Sommige warmtebronnen zijn plaatsgebonden en kunnen niet gevestigd worden nabij of in de bebouwing. Zo moet een vuilverbrandingsinstallatie om redenen van stank, stof en lawaaihinder gelokaliseerd worden op afstand van woon­gebieden. Ook industriegebieden zijn uit oogpunt van mogelijke hinder veelal op afstand van de woonbebouwing gelegen .
Voor het produceren van electriciteit behoeft tegenwoordig niet persé een lokatie buiten de bebouwing gekozen te worden. In het verleden gebeurde dit echter wel vanwege de volgende redenen te weten
-   de behoefte aan koelwater
-  de gewenste grote afmetingen van de centrale
-   de kans op hinder bij het verstoken van vuile brandstoffen z oals kolen
-  de wens tot aanvoer van brandstof per schip.
De criteria bij de huidige nieuwbouw van centrale's zijn gericht op een zo laag mogelijk brandsto fgebruik. In plaats van het afvalwater te lozen wordt nu gezocht naar een plaats waar deze warmte nuttig kan worden gebruikt.
Vroeger streefde men naar zeer grote opwekkingsunits omdat deze zich kenmerkten door een hoog electrisch rendement en lage kosten per Kw produktievermogen. Door de moderne technische ontwikkelingen is dit voordeel t.o.v. kleine installaties sterk verminderd en soms vrijwel verwaarloos­baar.
Van veel groter belang is tegenwoordig het warmterendement in samenhang met het electrisch rendement. Juist door het feit dat de vrijkomende warmte beter kan worden benut naar mate de centrale dichter bij de bebouwing staat, is een kleine opwek-unit nu vaak aantrekkelijker.
Bij het kiezen van een lokatie hebben van de eerder genoemde argumenten de eerste twee hun betekenis grotendeels verloren, de laatste twee zijn nog wel van kracht mede in aanmerking genomen, indien van vuile brandstoffen gebruik gemaakt moet worden, met name van kolen en/of kernenergie. Vooralsnog ziet het er naar uit dat deze brandstoffen beter in relatief grote units kunnen worden verwerkt. Maar voor zover de electriciteitsopwekking plaatsvindt op basis van aardgas of zwavelarme olie bestaat er een grote keuze vrijheid en is de electrieiteitsproduktie in feite niet langer meer plaatsgebonden.
Het ligt nu voor de hand om die electriciteitsproduktie dan ook zo dicht mogelijk bij de warmtegebruiker te laten plaatsvinden, dus nabij industriële warmtegebruikers en ook binnen de bebouwde omgeving.
- 9 -
2.2 De brandstofkeuze in Nederland
In het voorgaande werd duidelijk gemaakt dat electrici-teitsproduktie binnen de bebouwde omgeving de mogelijkheid geeft om met relatief geringe kosten voor het distributie­net, gebruik te maken van afvalwarmte.
Gebruik van kolen is om diverse redenen ongewenst in de bebouwde omgeving. Een dergelijke decentralisatie van de electrieiteitsproduktie vraagt dus om aardgas of zwavelarme olie. Een vraag die nu opkomt is of er voldoende van deze brandstof beschikbaar is om op grote schaal te decentrali­seren. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord, indien wordt uitgegaan van de volgende argumentatie.
Naar verwachting zal het totale electriciteitsverbruik niet veel meer stijgen, zeker wanneer de mogelijkheden tot elec-trieiteitsbesparing op grote schaal worden benut. Aangezien er op dit moment een te groot electrisch vermogen beschikbaar is en een flinke toename van de electriciteits-produkt ie in de industrie kan worden verwacht, denk hierbij met name aan 'tota1-energie' projecten van de industrie, dan is het totaal nieuw te bouwen openbaar vermogen de komende twintig jaar betrekkelijk gering. Zelfs wanneer dit nieuw te bouwen vermogen geheel gerealiseerd zou worden binnen de bebouwing gaat het om een tamelijk gering vermogen en derhalve om een beperkte hoeveelheid aardgas en/of zwavel­arme olie .
Gezien de Nederlandse situatie met meevallende aardgas­reserves en de mogelijkheden om gas uit kolen te produceren, is er geen reden om uit oogpunt van brandstofkeuze de decen­tralisatie te beperken. Te meer daar Nederland over grote aardgasreserves beschikt lijkt het juist aanbevelings­waardig het aardgas te reserveren voor gedecentraliseerde eleetriciteitsproduktie, waarbij van de benodigde brandstof tegen relatief geringe kosten een uiterst efficiënt gebruik wordt gemaakt, zodat deze brandsto fbespar ing ook leidt tot aargasbesparing.
- 10 -
2.3 De brandstofprijs
De keuze grootschalige stadverwarming vanuit een electrici-teitscentrale buiten de bebouwing, of stadverwarming door nieuwbouw van electrisch vermogen binnen de bebouwing, zullen we niet laten afhangen van de brandsto fkeuze, maar vooral baseren op een brandstof- en kostenminimum. De brandsto fprijs is hierbij wel van belang. We werken niet met dagprijzen, maar gaan uit van de op langere termijn te verwachten prijsontwikkeling per type brand sto f .
Te verwachten is bijvoorbeeld dat de lage energieprijzen voor kolen relatief snel zullen oplopen door de aanvullende milieu eisen en de relatieve schaarste op de kolenmarkt door de toegenomen vraag.
- 11 -
2.4 Minimale energiekosten bepalen
Het streven is naar zo laag mogelijke totale engergiekosten, mede in het belang van de consument.
De vraag hierbij is welke methode van woonverwarming verdient de voorkeur, uit kostenoverweging voor de consument .
Allereerst zal een afweging moeten plaatsvinden tussen enerzijds woningisolatie en anderzijds de verwarmings­methode. Bij de verwarmingsmethode hebben we de keuze tussen een individuele c.v.-ketel of collectieve verwarming. Bij deze afweging is alleen in aanmerking genomen een (individuele) gasgestookte c.v.-ketel, tegenover collectieve verwarming met als warmtebron een electrieiteitsproduktie unit.
- 12 -
2 .5 Kosten voor de bewoners
Voor zover het gaat om een optimaal collectief verwarmings­systeem voor nieuw te bouwen woningen is het van belang ervoor te zorgen dat het collectieve systeem in financiële zin kan concureren met de, op korte termijn beschikbaar komende, alternatieve mogelijkheid tot individuele verwarming.
Dit betekent dus dat de aan de bewoners in rekening te brengen kosten nooit hoger mogen zijn dan de verwarmings-kosten, die als minimum gelden bij optimaal gebruik van isolatie en toepassing van individuele c.v.-ketels, hierbij uitgaande van moderne ketels met een hoog rendement.
Opgemerkt dient nog te worden dat stadsverwarmingssytemen zich tot nu toe kenmerken door een hoog bedrag aan vaste kosten, welke worden doorberekend aan de bewoners. Soms bedragen deze meer dan 50% van de totale verwarmingskosten. Alleen het variabele deel kan door de bewoner worden beïnvloed. Hierdoor is het effect van energiebesparend gedrag gering. Aanvullende isolatie maatregelen lonen dan ni et meer .
- 13 -
2 .6 Toepassen van isolatie bij collectieve verwarmingssystemen
De combinatie van hoogwaardige isolatie en collectieve verwarming verdient in vele gevallen aanbeveling. Hoe ver men met isoleren moet gaan is een kwestie van kostenoptimalisatie.
Isoleren vermindert de warmtebehoeft per woning. Het verwarmingssyteem zal dan per woning minder warmte leveren. In het algemeen nemen de kosten van het distributienet niet in evenredigheid af met een verminderde warmtevraag per woning, omdat de aanlegkosten vooral afhangen van het aantal aan te sluiten woningen en in mindere mate van de gebruikte buisdiameters.
Bij nagenoeg gelijk blijvende kosten en levering van minder warmte zal de exploitant van het distributienet gedwongen zijn om de warmteprijs per warmte-eenheid te verhogen. Gesteld kan worden dat het financieel rendement van het distributesysteem daalt wanneer de warmtevraag per woning door isolatie wordt verkleind.
• Hiertegenover staat natuurlijk dat de bewoner van de duurder geworden warmte minder nodig heeft, waardoor hij vaak toch voordeliger uit is, ook wanneer rekening wordt gehouden met de kapitaalkosten verbonden aan de isolatie. Isoleren is dus zinvol zolang de kapitaalkosten verbonden aan de extra isolatie en het negatieve effect, veroorzaakt door een oplopende warmteprijs, voldoende worden goed gemaakt door het positieve effect van de lagere warmte-behoef te .
In elke situatie dient bij collectieve verwarminssystemen het hier bedoelde evenwichtspunt te worden bepaald, uitgaande van de minimum isolatie eisen, welke door de overheid zijn voorgeschreven.
- 14 -
2.7 De warmtebehoefte algemeen
Uitgangspunt bij elk collectief verwarmingssysteem is de bestaande warmtebehoeft. Factoren die deze warmtebehoefte bepalen zijn; het aantal woningen, het woningtype, de afmetingen, het ontwerp en de isolatie kwaliteit van de woning. Verder de aanwezige bijzondere bebouwing zoals kantoren, scholen, winkels, industrie enz.
De absolute gemiddelde warmtebehoefte per gezin beweegt zich ondanks het groeiende besef van dreigende brandsto f schaarste en hogere brand stofprijzen nog niet in de benedenwaartse richting. Oorzaken van de toenemende warmtevraag zijn:
-  toename van de afnemingen van de woningen
-  toename van de binnentempera turen
-  toename van het aantal woningen met c.v.
-  relatief slechte isolatiekwaliteit van vele woningen (lichte bouw, veel glas).
Vooral de overschakeling op het relatief goedkope en schone aardgas veroorzaakte een snelle toename van het aantal woningen met c.v. en van het warmteverbruik. De hierna volgende tabellen geven daarvan een beeld.
Toepassing c.v. in de nieuwbouw
jaar
aantal woningen
met c.v.
op olie
op gas
op kolen
1966
1
970
1
974
100%
1
00%
1
00%
50%
89%
99,5%
30%
11
1%
19,5%
82%
98,5%
0,5%
- 15 -
Gasverbruik in m3 gemiddeld per gezin met c.v.
jaar
voor verwarming
voor koken en warm water
totaal
1972
2815
1973
2810
1974
3005
1975
3050
1977
3150
1979
3200
485 490 495 500 550 600
3300 3300 3500 3550 3700 3800
Naast het gemiddelde verbruik is van belang dat de
ontwikkeling van de warmtebehoefte van nieuwbouw woningen
door verhoogde isolatie eisen aan het dalen is.
Dit, in combinatie met een optredende verzadiging in het
aantal oudbouw woningen met c.v., zal naar verwachting het
gemiddelde warmteverbruik per gezin in de nabije toekomst
doen dalen.
Voor nieuwe woningen in stadsverwarmingsgebieden werd tot
1979 in het algemeen een NEN 1068 klasse goed aangehouden,
temeer daar in vele gemeenten een lagere isolatiewaarde niet
langer is toegestaan.
Overzicht Isolatieklasse
en
warmt evraag
1
25%
1
15%
1
00%
70%
50%
NEN 1068 klasse matig
NEN 1068 klasse
NEN 1068 klasse goed
Duitse norm
Zweedse en Deense norm
Afhankelijk van het woningtype kan nu de warmtebehoefte worden geschat. Voor de in ons land uitgevoerde stadsver­warming spr o j ec t en werd tot nu toe meestal gewerkt met wa rmte behoeften zoals aangegeven in de volgende tabel.
- 16 -
2.8 De warmtebehoefte voor een eengezinswoning
woning type
aanslui twaarde
warmtebehoefte per jaar
eengezinswoning meergezinswoning warm water koken
13.5 kw 11 kw
73      Giga   joule
60       Giga   joule
.,5   Giga   joule
2.6   Giga   joule
Naast de warmtebehoefte voor de woningen moet er ook nog rekening gehouden worden met de warmtebehoefte voor de bijzondere bebouwing en industrie. Deze kan het beste bepaald worden aan de hand van concrete gegevens in de bestaande situatie.
Voor zover deze gegevens ontbreken, dan wordt er in het algemeen voor de bijzondere bebouwing uitgegaan van een aansluitwaarde gelijk aan 10% van die voor de woningen in de wijk. De warmtebehoefte in Giga joule wordt dan bepaald op basis van 1200 vollast uren ofwel 4,32 Gj per kw aansluit-waarde.
- 17 -
9 Het effect van betere isolatie op de prijs van de te leveren warmtehoeveelheid
Door beter isoleren van woningen en gebouwen kan de warmte — behoefte omlaag. De kosten hiervan, rente, afschrijvingen en onderhoud moeten worden afgewogen tegen het financiële effect van de bereikte energiebesparing.
Bij stadsverwarming is het gevolg van betere isolatie dat er per woning minder warmwater nodig is, waaruit dan weer volgt dat bij het ontwerp van het distributienet met een lagere capaciteit, dus dunnere pijpen, kan worden volstaan. De aanleg van het net wordt dan goedkoper, maar niet zoveel. Stel dat de warmtebehoefte door betere isolatie met 30% daalt en dat het distributienet daardoor 10% goedkoper wordt. Het gevolg is dan dat per geleverde warmtehoeveelheid de netkosten 0,9 : 0,7 ofwel 1 2/7 maal zo hoog worden. Wanneer de overige kosten van het stadsverwarmingssysteem per geleverde warm te-eenheid gelijk blijven neemt de wants-prijs per eenheid dus toe wanneer we gaan isoleren. Dit effect is sterker naarmate het distributienet een groter deel van de totale investeringen omvat, dus bij groot­schaliger systemen is het effect groter. Eerder werd reeds opgemerkt dat de rentabiliteit van het stadsverwarmings-systeem daalt wanneer men gaat isoleren.
- 18 -
2.10 Het effect van betere isolatie voor de consument t.a.v. de verwarmingskosten
De warmteprijs is hoger bij betere isolatie, maar er is
minder nod ig.
Stel dat de prijs per warmte-eenheid voor de helft bestaat
uit kosten, die niet afhankelijk zijn van de geleverde
warmtehoeveelheid, het brandstofkosten aandeel plus het
investeringsaandeel voor de warmtebron en voor de andere
helft uit distributiekosten, die in het voorbeeld 1 2/7
hoger worden.
De totale warmteprijs stijgt dan met 1/7, terwijl er 30%
minder warmte nodig is.
In eerste instantie bedraagt de kostenreductie per woning
0,7 x 1 1/7 = 0,8, ofwel 20%. Bedacht moet worden dat er nu
extra kosten bijkomen voor onderhoud, rente en afschrijving
van de isolatie. Het uiteindelijke voordeel per woning wordt
dan 0,2 maal de warmtekosten zonder isolatie minus de
isolatiekosten per jaar.
Aangezien het effect van isoleren steeds minder wordt
naarmate we alsmaar meer isolatie toepassen, betekent dit
dat de isolatiekosten per jaar relatief steeds groter worden
en zodoende komt er een moment waarop verder isoleren
zinloos is.
Bij het ontwerp van een stadsverwarmingssysteem dient
optimale isolatie te worden toegepast. Na deze optimalisatie
berekening ontstaan dan de laagste verwarmingskosten per
woning.
- 19 -
2.11 Andere maatregelen die warmtebehoefte verlagen
Naast isolatie zijn er ook andere maatregelen mogelijk die de warmtebehoeft in woningen en gebouwen verminderen.
Voorbeelden hiervan:
warmte terugwinning uit de afgevoerde ventilatie lucht warmte regeling m.b.v. buitenthermostaat, nacht thermostaat e .d .
bouwkundige voorzieningen zoals tochtdeuren e.d. technische installaties, bijvoorbeeld zonneboiler energetisch rendement zo hoog mogelijk.
f
ff
- 20 -
2.12 De warmtebron gecombineerd met electrieiteit produktie
Bij collectieve verwarmingssystemen kan de warmte afkomstig zijn van:
-  een electrieiteits-opwekkingsunit
-  een ket elhui s
-  een vuilverbrandingsinstallatie
-  een industriële installatie
-  een warmtepomp installatie
-  een aardwarmtebron.
De verschillende warmtebronnen komen nog nader aan de orde, waarbij het accent 2al liggen op electriciteitsopwekking in combinatie met warmteproduktie.
In alle gevallen kan warmte gedistribueerd worden over een groter of kleiner afzetgebied, zoals een blok woningen, een woonwijk, een stadsdeel, meerdere stadsdelen of steden. In feite zijn er nauwelijks belangrijke principiële verschillen tussen groot- of kleinschalige systemen, maar wel belangrijke verschillen betreffende de toe te passen primaire brandstoffen en vooral de kosten van het leiding­net .
Electriciteit wordt geproduceerd door generatoren die worden aangedreven door bijvoorbeeld een stoomturbine of verbrandingsmotor.
Bij de opwekking van electriciteit ontstaat altijd afval­warmte. De afvalwarmte kan vrijkomen bij lage temperatuur of relatief hoge temperatuur.
Hoe hoger de temperatuur, hoe beter de afvalwarmte voor verwarmingsdoeleinden kan worden benut.
- 21 -
Koelwater afkomstig van het motorblok van een verbrandings­motor heeft een temperatuur van 90 tot 100° C. Dit koelwater is dus zeer goed bruikbaar.
Koelwater afkomstig van de condensor van een stoomturbine van een grote electrieiteitscentrale heeft een temperatuur van circa 30° C en is dus vrijwel niet bruikbaar voor ver­warming sdoeleinden.
De temperatuur van de hete afvalgassen die uitgestoten worden door gasturbines of dieselmotoren bedraagt enkele honderden graden Celcius. Alvalwarmte van dit type is geschikt voor stoomproduktie voor velerlei toepassing. De meeste electriciteit wordt geproduceerd met behulp van s toomtub ines.
De zeer grote hoeveelheid warmte die bij koeling van de afgewerkte stoom van hoge temperatuur vrijkomt heeft een zeer lage temperatuur. Het is echter mogelijk stoom van hoge temperatuur aan de stoomturbine te onttrekken, ofschoon dit ten koste gaat van het electrisch rendement. Hierna volgt een schema van de relatie tussen de temperatuur van de afvalruimte en het rendement van de eleetrieiteitsproduktie bij een stoomturbine.
tempe ratuur afvalwarmte
systeemdruk
electrisch rendement
32°   C
80°   C
100°   C
120 °   C
150°   C
0,05   ato
0,5     ato
1         ato
2         ato 5        ato
40% 30% 27% 24% 20%
Het proces is dus als volgt:
Eerst wordt stoom geproduceerd in een stoomketel met behulp van brandstof. Deze stoom heeft een zeer hoge temperatuur en druk daarna wordt deze stoom door een turbine geleid die mechanische aandrijfenergie opwekt.
- 22 -
Tijdens dit proces daalt de temperatuur en druk van de stoom. Hoe verder we de stoom laten afkoelen, hoe meer mechanische energie vrijkomt voor de produktie van electrieiteit . Tegelijkertijd daalt dan ook de temperatuur en druk, waarbij de afvalstoom de turbine tenslotte verlaat, zoals al weergegeven in het voorgaande schema. Hieruit kunnen we concluderen dat, wanneer we een temperatuur van tenminste 80° C nodig achten voor afvalwarmte t.b.v. woning­verwarming de stoom voor 30% bijdraagt in de electriciteits-produktie.
Bij grote trans por tafstand en zijn soms hogere temperaturen nodig. Gebruikelijk is een temperatuur van 130° C. Het electrisch rendement daalt dan tot circa 22%. Als gegeven is dat het meest eenvoudige dieselaggregaat van zeer kleine afmetingen een hoger rendement behaalt, dan is het zaak om de temperatuur van de afvalwarmte laag te houden om een redelijk hoog electrisch rendement over te houden. Om dit te bereiken wordt in grote turbine-centrales stoom afgetapt op punten met verschillende temperatuur en druk. Afhankelijk van de warmtevraag en de buitentemperatuur wordt er voor gezorgd dat de temperatuur van de afvalwarmte zo laag mogelijk is.
In de zomermaanden is er weinig vraag naar warmte, zodat nagenoeg alle stoom naar de condensor gaat en de turbine verlaat op het laagste niveau van circa 32° C. Het electrisch rendement is dan zeer hoog. Bij zeer lage buiten­temperatuur en hoge warmtevraag wordt afgetapt bij 150° C en daalt het electrisch rendement tot 20%. Een andere technische mogelijkheid is het gebruik van zogenaamde tegen­drukturbines . Hierbij verlaat de stoom de turbine bij een relatief hoge temperatuur en druk. Het electrisch rendement is dan relatief laag.
Het voordeel van tegendrukturbines zit in de lage kostprijs, doordat het lage drukdeel van de stoomturbine en de condensor kunnen vervallen.
- 23 -
Verder kan er ook gewerkt worden met gasturbines, gestookt met gas of lichte olie. Deze snel startende machines hebben een relatief laag electrisch rendement, 18 tot 36%, maar produceren veel afvalwarmte van hoge temperatuur. Om het electrisch rendement te verhogen kan men de hete afvalgassen benutten voor het produceren van hoogwaardige stoom, waarmee dan vervolgens een stoomturbine wordt aange­dreven. Nadat deze stoom in de stoomturbine is benut verlaat de stoom de machine als afvalstoom voor verwarmingsdoel­einden overeenkomstig als bij de gewone stoomturbine­centrales. Men noemt de combinatie van gasturbine en stoom­turbine een STEG-unit, J3T_oom _En _Gas .
Het electrisch rendement kan zeer hoog zijn en oplopen tot 45%.
De diesel- en gasmotor wordt eveneens gebruikt voor electri-citeitsopwekking, veelal tot vermogens van maximaal 15 mw per uni t .
Het karakteristieke van deze machines is onder andere het gegeven dat het electrisch rendement niet afhangt van de temperatuur van de afvalwarmte. Bij de kleinere machines ligt het electrisch rendement op 30%, bij de grotere machines op 40%.
Deze machines kunnen door het ontbreken van een stoomketel snel starten. Als brandstof komen uitsluitend zware en lichte olie en gas (te weten aardgas, LPG en kolengas) in aanmerking. Sommige typen kunnen zowel op olie als gas draaien. Men spreekt dan van dual-fuel machines. In het overzicht op de volgende bladzijde worden de gegevens vermeld, die gelden voor de verschillende typen machines die besproken zijn.
- 25 -
2.13 De bereikbare brandstofbespar ing bij gecombineerde opwekking
In het voorgaande bleek dat in het algemeen het electrisch rendement bij gecombineerde opwekking daalt wanneer de temperatuur van de afgeleverde warmte stijgt. In een schema is de relatie weergegeven voor een stoomturbine-centrale. Benutting van de afvalwarmte van een electrische centrale vergt op zichzelf geen extra brandstof. Wanneer echter aan de geleverde warmte een temperatuureis wordt gesteld, dan zal de geproduceerde hoeveelheid electrieiteit per brandstof eenheid dalen.
Om weer op de oorspronkelijke hoeveelheid te komen is dan extra brandstof nodig. Deze extra brandstof, B, is dus nodig om de gewenste hoeveelheid warmte, W, te leveren. Het rendement van de warmte 1 evering bij gecombineerde opwekking is dan:
Ne = delta W delta B
x 100%
Overzicht van het rendement bij gecombineerde opwekking
temperatuur                                            rendement
type warmte-          v.d. gelever- electrisch termisch gecomb.
kracht opwekking de warmte          rendement rendement opw. Ne
stoomt urbi ne met aftap
80 ° C 100° C 120° C 150° C
30%
60%
218%
27%
63%
175%
24%
66%
149%
20%
70%
126%
30%
45%
163%
35%
45%
324%
diesel of gas-         80-100° C
motor respectie- 80-120° C velijk voor 0,5 en 10 MW machine
- 26 -
Nu een getallen voorbeeld ter verduidelijking van de vermelde gegevens in het voorgaande overzicht. We gaan uit van een stoomturbine met aftap. Stel de gevraagde temperatuur is 120° C. Het electrisch rendement is dan 24%. Zonder aftap is het electrisch rendement 40%. Om dezelfde hoeveelheid electrieiteit te verkrijgen zijn nu in plaats van 100 eenheden brandstof (40 : 24) x 100 - 166 brandstof eenheden nodig, ofwel 66 eenheden extra. Hiervoor wordt aan warmte geleverd 1 maal het warmterendement van de centrale. Dit warmte-rendement bedraagt in dit geval 66% wanneer we veronder­stellen             de verliezen van de centrale in totaal 10% bedragen en de overblijvende 90% bestaat uit een electri rendement van 24% en een warmterendement van 66%. De geleverde warmte hoeveelheid is dus 166 x 0,66 = 109, eenheden. Hier gaat af het warmteverlies in het distribu net.
Deze verliespost stellen we op 10%. De overblijvende wa hoeveelheid is dan 109,5 - (0,1 x 109,5) = 98,6. Het rendement van deze vorm van gecombineerde opwekking dus (98,6 : 66) x 100% = 149%.
Men kan dus zeggen dat voor iedere eenheid warmte (100 : 149) = 0,67 eenheden brandstof nodig zijn. In geval van een diesel en een warmtetemperatuur van 120 wordt het rendement van de gecombineerde opwekking hoger omdat het electrisch rendement dan geen 24% bedraagt maa 30 tot 40%.
t SB
- 27 -
BEPALING VAN DE BRANDSTOFBESPARING
Om de bereikbare brandsto fbe sparing te bepalen moeten we eerst vaststellen ten opzicht waarvan die besparing geldt. In het algemeen wordt dan vergeleken met het brandstof­verbruik in de alternatieve situatie met individuele c.v. Het rendement bedraagt 70 to 98%, afhankelijk van het type c .v.-ketel.
In de volgende tabel is de procentuele brandsto fbespa ring aangegeven. Bij de bepaling van het bespa ringspercentage is 10% warmteverlies in het distributienet ingecalculeerd. Bij aftap van op afstand gelegen centrales is dit percentage te laag wegens verliezen in de transportleiding. De besparingspercentages die gelden bij aftap van stoom­turbines worden dan, gerekend met dezelfde isolatiekwaliteit van de leidingen circa 5% lager.
Tabel besparingspercentages
t empe ra tuur
type warmtekracht v.d. gelever-opwekking                    de warmte
besparingspercentage ten opzichte van individuele c.v. met ketelrendement van 70%                      85%                      95%
aftap van
80°
C
68
61
56
st oomturbine
100°
C
60
51
46
120 °
C
53
43
36
150°
C
44
33
25
diesel of gasmotor 80-100° C respectievelijk          80-100° C
voor kleine en grote unit s
57 78
48 74
42 71
- 28 -
3.1 De overige warmtebronnen
De overige warmtebronnen', zoals eerder genoemd, zijn niet nader in overweging genomen omdat deze in het algemeen niet relevant zijn in de keuze tussen stadsverwarming via een centrale met warmtekrachtkoppeling en de toepassing van individuele gasgestookte c.v.-ketels.
- 29 -
3 . 2 De warmtedistributie
Het warmte distributienetwerk vergt zeer grote inves­teringen. Deze kosten nemen toe met de omvang van het ver­zorgingsgebied en de transportafstanden. Zij zijn vaak bepalend voor de rentabiliteit van het totale systeem. Aangezien de kosten de electriciteitsprocederende unit verrekend worden via de geleverde electriciteit, bestaan de totale kosten in feite steeds uit de kosten voor de aanvullende investeringen nodig om de warmte aan de electrieiteitsproduktie-unit te onttrekken plus de kosten voor de aanleg van het totale distributienetwerk. Bij grootschalige systemen worden de kosten voor het grootste gedeelte bepaald door die van het distributienet­werk. Nu een overzicht van grootschalige stadsverwarmings-projecten die tot begin 1980 waren goedgekeurd door de betrokken gemeenten.
project
totale
aantal         inves-
woning- tering eenheden in min.
g uldens
inves-         jaarlijkse
tering        besparing
p. woning   p. woning
in              in tn3 a . e . guldens
inves t ering p. jaarlijks bespaarde m3 a . e .
Ro t terdam
19000
133
7000
1300
Alme re
39000
300
7700
1900
Den Haag
13000
75
5800
1850
Ni euwegein
9500
85
8900
2600
Breda
18000
151
8400
1900
Purme rend
16000
145
9100
1750
Tilburg
26000
163
6300
1400
Helmond
14000
120
8400
2400
Dordrecht
16000
137
8600
2800
Lelystad
23700
237
10000
1700
Enschede
8700
78
9000
1700
5,30
4,-
3, 12
3,40
4,44
5,17
4,52
3,58
3,04
5,92
5, 20
- 30 -
3 .3 Specificatie van de opbouw van het distributiesysteem
Bij grootschalige stadsverwarmingsprojecten, meestal met lange transportafstanden, kunnen de volgende onderdelen worden onderscheiden:
-  de hoofdtransportleiding van de centrale naar het ver­zorgingsgebied
-  de primaire distributieleidingen in of rondom het distributiegebied
-   de onderstations waar via warmtewisselaars de warmte wordt overgedragen aan het secundaire distributienetwerk
-  het secundaire distributienetwerk naar de te verwarmen woningen
-   de huisaansluitingen
-  de hulpketels.
In de hoofdaanvoerleidingen heerst een temperatuur van 70 to 130° C, afhankelijk van de buitentemperatuur, die van invloed is op de warmtevraag. Ook de primaire distributie-aanvoer Ie idi ng heeft dit temperatuurniveau.
In de onderstations wordt via warmtewisselaars het tempera-tuurniveau in de secundaire aanvoerIeiding gebracht op 90 tot 70 ° C.
Per 100 tot 300 wooneenheden is een dergelijk onderstation aanwezig. Hierin staan pompen, warmtewisselaars en expansie-vaten opgesteld ter verzorging van de secundaire distri­butie. De onderstations bevinden zich tussen de bebouwing en dienen vooral om verschillende primaire en secundaire temperatuur- en drukniveaus te kunnen realiseren.
Bij kleinschalige distributiesystemen is een verschillend temperatuur- en drukniveau tussen transport en distributie niet nodig, zodat ook de tussenstations kunnen vervallen. De transportafstanden zijn kort en iedere warmtebron verzorgt 100 - 1000 woningen. De investeringskosten per woning zijn lager. Zij hebben een gunstig effect op het financieel rendement. Hierdoor kan kleinschaliger opzet vaak voordeliger zijn, ondanks de hogere prijs per kilowatt ge-installeerd vermogen van de warmtekracht unit, bij voorkeur hier een gas-, diesel- of dual-fuel machine.
- 31 -
3 . 4 De huisaansluiting en de warmtemeting
De huisaansluiting verschilt bij collectieve verwarming in zoverre dat de individuele c.v.-ketel afwezig is en de geiser of boiler vervangen is door een warmtewisselaar, waarmee het tapwater door het hete stadsverwarmingswat er kan worden verhit. Een gasaansluiting ontbreekt, zodoende ook de gasmeter, die het verbruik per woning zeer nauwkeurig registreert.
Bij collectieve verwarming is een warmtemeter gewenst. De kosten van zo een meter bedragen circa f 500,-. Gezien de prijs hiervan, installeert men meestal een eenvoudige water-hoeveelheidsmeter, die circa f 60,- kost. Bij een constante aanvoertemperatuur van het stadsver-warmingswat er en bij de aanwezigheid van een mengregeling in de woning om de temperatuur van het water in de radiatoren van de woning te regelen, is de gebruikte hoeveelheid stads­ver warming swat er inderdaad een redelijk nauwkeurige maat voor het warat everbruik. Bij variabele aanvoertemperaturen van het water uit het stadver warmingssysteem wordt het moeilijker om met deze methode het juiste warmteverbruik vas t te stellen.
Duidelijk moet worden aangegeven hoe het verbruik van de warmtehoeveelheid wordt bepaald, welke kosten hiermede zijn gemoeid, ook de extra-administriekosten meenemen en welke meetnauwkeurigheid kan worden gegarandeerd.
- 32 -
3.5 De hulpketels bij warmtekracht installaties
In jaargetijden met zeer lage buitentemperatuur zal het verwarmingssysteem op vol vermogen draaien. Het is niet zinvol om de capaciteit van de warmtebron af te stemmen op de maximale warmtevraag.
Uit kostenoverweging begroot men de capaciteit van de warmtekracht unit in het algemeen zodanig, dat aan 30 tot 50% van de maximale warmtevraag kan worden voldaan. Doordat deze maximale vraag weinig voorkomt kan de warmte­kracht installatie 85 tot 95% van de benodigde warmtevraag dekken. B-ij tekort aan warmte wordt de aanwezige hulpketel ingeschakeld.
De investeringskosten van een hulpketel zijn relatief laag. De ketel krijgt die capaciteit, zodat aan de volledige warmte vraag kan worden voldaan. De ketel kan ook gezien worden als reserve capaciteit, indien de warmtekracht installatie uitvalt.
De capaciteitsbeperking van de warmtekracht unit leidt tot lagere investeringskosten en bovendien tot een hogere bezetting, waardoor het aantal vollast uren stijgt tot 3000 a-6000 uur.
Indien de warmtekracht unit wordt uitgerust met een lucht-koeling, dan kan het aantal vollast uren nog verder worden opgevoerd .
De hulpinstallatie kan dan onafhankelijk van de warmtevraag het hele seizoen electriciteit leveren, onder de voorwaarde dat het electrisch rendement tenminste 33% bedraagt, omdat anders dit rendement te laag wordt in deze situatie ten opzichte van het rendement van de openbare electrieiteits-produktie met grote centrales.
- 33 -
3.6 Het warmteverlies tijdens de zomer
In de zomerperiode moet het stadsverwarmingssysteem ten behoeve van de warmwater voorziening in bedrijf blijven, terwijl er weinig warmte wordt afgenomen.
Het warmteverlies via de grondleidingen kan in deze situatie groter worden dan het resterende warmteverbruik.
- 34 -
VOOR- EN NADELEN VAN GROOT- EN KLEINSCHALIGE SYSTEMEN
Bij afweging van de voor- en nadelen van groot- en klein­schalige systemen zijn de volgende punten van belang:
-  kosten van het distributiesysteem per wooneenheid
-  kosten van de warmtebron
-  de bereikbare brandsto fbesparing
-  de brandstofkeuze
-  aanloopverliezen , planningsaspecten, combinaties van verschillende besparingsmogelijkheden
-  inpassing van electrisch vermogen, vergoeding voor het opgestelde vermogen en de geproduceerde electriciteit, beheersvormen.
- 35 -
4 . 1 De kosten van het distributiesysteem
Uit de eerder vermelde tabel met stadsverwarmingsprojeet en blijkt dat de investeringssom per wooneenheid, met als voor­beeld het representatieve project in Lelystad, f 10.000,-bedraagt. De kostenverdeling hiervan ziet er als volgt uit:
-  transportleiding
-  hoofdleidingnet
-  primaire wijknetten
-  onderstations
-  secundaire wijknetten
-  huisaansluiting
-  aftapvoorzieningen bij
de electrieiteitscentrale
-  hulpketel
Totaal per wooneenheid
f 141
8,-
)
81
o,-
)
101
7,-
) distributiekosten
88
6,"
) fj^<-
- 162
9,-
) ^jj"^ i^ i"
- 177
6,-
- 126
6,"
i
122
4,-
f 1002
= === = = =
6,-
De onderstations bedienen bij dit project elk 100 woningen. Wanneer per onderstation een kleine warmtekracht unit wordt opgesteld vervallen de eerste vier posten zodat de distributie investeringen als volgt veranderen:
-  secundaire wijknetten
-  huisaansluiting
distributiekosten
f 1629,-- 1776,-
f 3405,-
Er is nu een reductie van f 7536,- - f 3405,- = f 4131,- per wooneenheid .
- 36 -
4.2 De kosten van de warmtebron
Allereerst een overzicht van warmtekracht units met hun prijs per kilowatt electrisch vermogen.
grote stoomturbine
installatie
tegendruk-trubine
gasturbine
STEG unit
diesel-gasmotor
f 900,- per KWe (olie)
-   1600,-
-   1000,-
-   1150,-
-   1450,-
(olie)
(gas)
(gas)
(olie/gas)
Bij het stadsverwarmingsproject in Lelystad is voor de warmtelevering vanuit een electrieiteitscentrale een warmte-capaciteit van 540 KWth, voorzien per 100 wooneenheden. Een kleine diesel-gasmotor unit van 360 KWe kan dit warmtevermogen leveren.
Omgerekend per wooneenheid is dat 3,6 KWe. Het verschil per KWe tussen een grote centrale en een diesel-gasmotor is ongeveer f 550,- per KWe.
Op deze wijze gerealiseerd extra vermogen eist een extra investering van 3,6 x f 550,- = f 1980,-. Veronderstellen we de kosten voor het hulpketelvermogen gelijk dan zal de totale investering per wooneenheid voor de kleinschalige variant bedragen.
dis tributie
extra kosten warmtekracht unit die
ten laste komen van de warm tevoorzieninj
hulpketel
f 3405,-
-    1980,-
-    1224,-
f 6609,-
De conclusie is dat het kleinschalige systeem hier per wooneenheid qua investering f 10.026,- - f 6609,- = f 3417 , — goedkoper is.
- 37 -
4.3 De bereikbare brandstofbespar ing bij een diesel- of gasmotor
De brandstofbesparing bij een diesel- of gasmotor unit is vergelijkbaar met de besparing die bereikt wordt bij stoom-aftap van een grote stoomturbine.
Wanneer rekening gehouden wordt met het geringere warmte­verlies in het kortere distributienet dan worden de cijfers voor de kleinschalige versie relatief 5% gunstiger. Op dit punt ontlopen groot- en kleinschalige systemen elkaar niet .
- 38 -
4.4 De brandsofkeuze bij stoomturbines
Stoomturbines hebben het voordeel dat in principe vrijwel elke brandstof gebruikt kan worden, indien die ketel geschikt is voor het stoken van kolen, olie, gas en dergelijke.
Bij het stoken van kolen zijn er twee kostenconsequenties. Met betrekking tot de brandsto fprijs zijn kolen goedkoper. Met betrekking tot de investeringskosten van de installatie aanmerkelijk duurder dan een gas- of die se leent ra Ie door alle bijkomende voorzieningen ten aanzien van de extra milieubelasting. Ofschoon de kostenvoordelen en -nadelen elkaar min of meer compenseren is er toch duidelijk sprake van een naar verwachting ook op langere termijn te behalen kostenvoordeel bij toepassing van kolen, al zullen zij minder zijn dan thans, doordat strengere milieu-eisen worden gesteld .
Kleinschalige machines lenen zich niet voor kolengebruik, zodat deze gebruik moeten maken van een relatief duurdere brandstof. De financiële gevolgen hiervan alsmede de soms hogere onderhoudskosten moet afgewogen worden tegen het investeringsvoordeel .
- 39 -
4 . 5 Aanloopver1iezen, planningsaspecten en combinaties van verschillende besparingsmogelijkheden
Het is direkt duidelijk, dat op de bovengenoemde punten
kleinschalige systemen sterk in het voordeel zijn.
De investeringen kunnen meegroeien met de bebouwing want de
realisatietijd is van dezelfde orde van grootte als die van
woningen. De gasvoorziening blijft in takt.
Het uitwijken naar andere varianten is steeds mogelijk,
omdat voorkomen wordt dat de situatie voor vele jaren wordt
vastgelegd.
Combinaties met zonne-energie en warmtepompen bijvoorbeeld
zijn in een later stadium mogelijk.
De planningsproblemen zijn ook beter beheersbaar.
Kleinschalige opzet betekent flexibiliteit en spreiding van
het financiële risico.
- 40 -
4.6 Inpassing van het electrisch vermogen en beheersaspecten
Hier stuiten we op het meest uitgesproken obstakel dat toepassing van kleinschalige systemen blokkeert. Allereerst is exploitatie van dat systeem door de gemeente of andere exploitanten vaak contractueel niet mogelijk voor zover het de doorlevering van geproduceerde electrieiteit betreft. Getracht moet worden bestaande contracten open te breken en onderhandelingen te openen over condities, de vergoeding voor het opgestelde vermogen en de vergoeding van geleverde kilowatt-uren. Hier is men afhankelijk van de houding van de e Iectrieiteitsproducenten en de overheid. In de toekomst zijn ruimere mogelijkheden te verwachten. Bij vorming van nieuwe andere beheersorganen dient de invloed van de consument te worden gewaarborgd.
- 41 -
5. DE KOSTEN VOOR DE BEWONERS
Bij stadsverwarmingssystemen gaat men er in het algemeen van uit dat de bewoners aangesloten op stadsverwarming niet meer betalen voor verwarming, warmwater en koken dan zonder stadsverwarming. De kosten van stadsverwarming dienen te worden vergeleken met de kosten bij toepassing van c.v.-ketels met een optimaal rendement en een hoge isolatie­kwaliteit van de woning, waarbij de jaarkosten minimaal zijn.
Uitgaande van de waarden die in een overwegend aantal stadsverwarmingsrapporten voorkomen kan de vergelijkbare huisinvester ing voor de warmteproduktie, bestaande uit ketel, geijser, thermostaat, bouwkundige voorziening, gas­leiding en installatiekosten , op f 2300,- excl. BTW worden gesteld met als prijsbasis 1980.
Verder stellen we het ketel rendement op 70% en de afschrijvingstermijn op 15 jaar. De kosten van het overige deel van de huisinstallatie , zoals de radiatoren inclusief de installatiekosten, blijven buiten beschouwing omdat deze ook gemaakt worden in geval van stadsverwarming. Het gasgebruik wordt overwegend aangenomen op basis van het warmteverbruik, zoals reeds eerder werd aangegeven in de referentietabel warmt e behoef te voor een eengezinswoning. Bij een rendement van 70% voor de ketel, 50% voor de geijser en de toekenning van een ver brandsonderwaarde van 31,65 MJ aan 1 m3 aardgas, resulteert hieruit voor een gezinswoning een gasverbruik exclusief koken van:
73 .000 31,65
100 = 7 .500 x 100 = 3769 m3 per jaar
70
31,65
50
Bij toepassing van de norm NEN 1068 klasse goed worden dak, muren en vloeren voorzien van een relatief dunne isolatie­laag en een deel van het glas oppervlak uitgevoerd met dubbel glas. Het is verwonderlijk dat niet is besloten tot toepassing van dikkere isolatielagen, aangezien de extra kosten daaraan verbonden relatief gering zijn ten opzicht van de extra besparing.
- 42 -
Toepassing van meer dubbelglas in de koudere vertrekken is op zichzelf niet voordelig, maar de combinatie meer dubbel­glas plus dikkere isolatie is in totaal in financiële zin wel aantrekkelijk. De brandstofbesparing is dan groot. Over prijzen en effecten van aanvullende isolatie ten opzichte van de genoemde norm kunnen de volgende gemiddelden worden aangehouden:
Maat regel
-  muurisolatie 9 cm i.p.v.
-  meer dubbel glas
-   beter dakisolatie
-  betere vloerisolatie Totaal
cm
extra besparing 240 m3 170 m3
9 5 m3 320 m3_ 825 m3
extra
inve sterinj f 550,-
-    1025,-
-     365,-
-      430,-
-   2370,-
Toepassing van deze maatregelen zal het gasverbruik reduceren tot 3769 - 825 = 2944 m3. De extra investering waarmee dit bereikt wordt is f 2370,-. Dit bedrag kan echter verlaagd worden tot f 2100,-, gezien de reductie van het radiator-oppervlak als gevolg van de lagere warmtebehoefte in de woning .
Het genoemde en zeer veel gehanteerde rendement van 70% kan worden opgevoerd tot 85% door maatregelen, die er in hoofd­zaak voor zorgen dat de aangezogen verse lucht naar de ketel wordt opgewarmd door de verbrandingsgassen. Deze ketel uit­gevoerd als gaswandketel met een ingebouwde tapspiraal levert ook warm tapwater.
Een voordeel van de luchtaanvoer van buiten is dat de permanente afzuiging van lucht uit de ketelruimte via de schoorsteen niet meer plaatsvindt. Bij een temperatuur in de ketelruimte, meestal de zolder, van 15° C, een gemiddelde buitentemperatuur van 5° C gedurende het stookseizoen , een aangenomen af zuigsnelheid van 4 meter per seconde en een pijpdiameter van 13 cm, kan berekend worden dat het warmte­verlies via de schoorsteen in de normale situatie zeker overeenkomt met een aardgas hoeveelheid van 250 m3. De gaswandketel voorkomt dit verlies. Het gasverbruik wordt in dit geval als volgt berekend:
- 43 -
gasverbruik voor verwarming was: 73000 x 100 = 3295 m3 per jaar 31,65              70
vermindering door betere isolatie: 3295 m3 - 825 m3 = 2470 m3 per jaar
vermindering door hoger ketelrendement: 2470 x 73000 x 100 = 2034 m3 per jaar 3295            31,65              85
vermindering door een lager ventilatieverlies 2034 m3 - 250 m3 = 1784 m3 per jaar
- warm tapwater vergt:
7500 x 100 = 279 m3 per jaar
31 ,65
85
Het totaal verbruik wordt: (1784 + 279) m3 = 2063 m3. De extra investering bedraagt f 800,-. De besparing is 881 m3 aardgas per jaar.
Een volgende mogelijkheid tot verbetering van het ketel­rendement bestaat in hoofdzaak uit het zover afkoelen van de verbrandingsgassen dat de daarin aanwezige waterdamp tot condensatie wordt gebracht een en ander in samenhang met andere kleine ingrepen die het rendement nog verder verhogen. Deze ingrepen zijn een betere regeling, dag en nacht schakeling, electrische ontsteking en anderen. De totale rendementsverbeter ing kan resulteren in een ketel-rendement van 98%. De kosten om de stijging van 70% naar 98% mogelijk te maken zullen het bedrag van f 1500,- niet over­schrijden. Het gasverbruik daalt tot:
8j5_ x 2034 - 250 + _85_ x 279 m3 = 1756 m3 per jaar. 98                                  98
- 44 -
5.1 Mechanische ventilatie met warmte terugwinning
Bij zeer goed geïsoleerde en tochtdicht gemaakte woningen is een mechanisch ventilatiesysteem noodzakelijk ter voorkoming van muffe luchtjes en vochtneerslag , die houtrotting kan veroorzaken. De extra investering van de ventilatie bedraagt circa f 1800,-. De ventilatie voorziening gaat in dit geval samen met de warmteterugwinning uit de afgewerkte warme ventilatielucht en uit de rookgassen van de c.v.-ketel. De gasbesparing en, die door de warmteterugwinning ontstaan, resulteren in een financiële besparing, die groter is dan de extra kosten verbonden aan de mechanische ventilatievoor-zieningen .
De bereikte aardgas besparing.door warmteterugwinning uit de ventilat ielucht, kan worden gesteld op netto 500 m3 . Rekening is daarbij gehouden met het extra electriciteits-verbruik door de ventilatoren ten opzichte van het normale verbruik van de afzuigkap in de keuken. Het gasverbruik voor de verwarming wordt dan:
73000 31,65
100 - 825
500
1970 m3 per jaar
70
Door de warmte terugwinning uit de rookgassen stijgt het ketelrendement van 70% naar 88%. Daardoor daalt het gasverbruik naar:
1970 x 73000
100 = 15 6 7 m3
per jaar
3295
31,65
3295 m3 was het gasverbruik voor verwarming van de
referentiewoning.
Voor warm tapwater was reeds een gasverbruik berekend van
474 m3 per jaar, zodat het totale gasverbruik daalt van
2944 m3 naar 2041 m3. De gasbesparing bedraagt 903 m3
tegen een extra investering van f 1800,-.
- 45 -
5.2 Maximaal aan de bewoner in rekening te brengen jaarkosten
Bij een investering van f 3600,-, voor isolatie plus hoger ketelrendement, daalt het gasverbruik zonder koken van 3769 m3 naar 1756 m3. De bereikte besparing is dan 53%. Het is duidelijk dat deze besparing vergelijkbaar is met de brandstofbesparing, die met stadsverwarming wordt verkregen, terwijl de extra investeringskosten per woning lager zijn. Wanneer we de investeringskosten willen vergelijken moeten de bedragen van de jaarlijkse besparing per woning in m3 bij stadsverwarming vergeleken worden met de totale investering voor de verbeterde c.v. installatie plus extra isolatie, ofwel met een bedrag van f 2300,- + f 1500,- + f 2100,- = f 5900,-. Tegenover de lagere investeringskosten staat wel een hogere brandstofprijs, omdat alleen aardgas in aanmerking komt.
De kosten dienen voor de bewoners gebaseerd te zijn op de hiervoor omschreven voorzieningen bereikte jaarkosten. Deze kunnen als volgt worden berekend:
1 . In het "normale" geval:
-kapitaalkosten bij een investering van f 2300,-
8% rente, 5% inflatie, 2,86% rekenrente
15 jaarafschrijving                                                      f 191,-
-onderhoudskosten 6% van f 2300,-                               - 138,-
-3769 m3 gas a f 0,30                                                      - 1130,-
t o taal
f 1460,-
2.Als 1 plus extra isolatie:
-extra investering f 2100,-j bij een afschrijving (1460,-) over 30 jaar, 8% rente, 5% inflatie en 2,86% rekenrente zijn de jaarlijkse extra kapitaal­kosten                                                                                     + f 10 5,--onderhoudskosten 1% van f 2100,- + - 21,--gasbesparing 825 m3 a f 0,30 - - 247,50
totaal
f 1338,50
- 46 -
3.Als 2 met een kete 1rendement van 85%:
-extra investering f 800,-; bij een 15-jarige            (1338,50)
afschrijving en 2,86% rekenrente zijn de jaar­lijkse extra kapitaalkosten                                         + f 66,43
-   onderhoudskosten 6% van f 800,-                              + - 48,
-   gasbesparing 881 m3 a f 0,30                                     - - 264,30
totaal
f 1188,63
4.Als 2 met een ketelrendement van 98%:
-extra investering f 1500,-; bij 15-jarige
afschrijving en 2,86% rekenrente zijn de
extra kapitaalkosten -onderhoudskosten 6% van f 1500,--gasbesparing 11883 a f 0,30
totaal
(1338,50)
+ f 124,56 + - 90,-- - 356,40
f 1196,66
5.Als 2 met mechanische ventilatie en warm teterugwinning:
-extra investering f 1800,-; bij 15-jarige afschrijving en 2,86% rekenrente zijn de extra kapitaalkosten
-onderhoudskosten 5% van f 1800,-
-gasbesparing 903 m3 a f 0,30
totaal
(1338,50)
+ f 149,47 + - 90,-- - 270,90
f 1307,07
Hierna een samenvatting van de aan de bewoners in rekening te brengen kosten bij een stijgende gasprijs:
- 47 -
Bewonerskosten (prijsbasis 1980).
Vergelijkingsbasis
jaarkosten bij een gasprijs van 30 ct/m3 40 ct/m3 50 ct/m3
l)isolatie volgens NEN 1068 klasse goed, ketelrendement 70%         f 1460,-
2 ) als 1 me t ext ra
isolatie                             f 1340,-
3)als 2 met een ketel­rendement van 85%           f 1189,-
4)als 2 met een hoog­rendement sket el ( 98% ) f 1197,-
5)als 2 met mechanische ventilatie en warmte-terugwinning                     f 1307,-
f   1837,-
f   1633,-
f   1395,-
f   1372,-
f   2213 ,
f   1927 ,
f   1601,
f   1547,
f1511,-        f1715,-
Opgemerkt wordt nog dat ten aanzien van het woningtype waar­voor de aan de bewoner in rekening te brengen kosten gelden, in de voorgaande berekening steeds is uitgegaan van een eengezinswoning geïsoleerd volgens NEN 1068 klasse-' goed met een warmteverbruik van 83,1 Giga joule, en aansluitwaarde van 13,5 KW, overeenkomstig de eerder vermelde referentie­tabel warmtebehoefte voor een eengezinswoning. Dit warmteverbruik is aan de hoge kant, maar bij een lager uitgangsverbruik kan op soortgelijke wijze als hiervoor het maximaal aan de bewoners in rekening te brengen bedrag worden bepaald.
(£>
- 48 -
5.3 HET KOOKGASNET BIJ TOEPASSING VAN STADSVERWARMING
Een omstreden onderwerp bij toepassing van stadsverwarming is vrijwel steeds het weglaten van het kookgasnet en de daaruit resulterende dwang om electrisch te koken. Electrisch koken leidt tot een hoger energieverbruik. In de bestaande situatie blijkt meer dan 90% te kiezen voor het koken op gas.
De electriei teitswereld pleit voor het weglaten van het kookgasnet, gebaseerd op de volgende overwegingen:
-  electrisch koken is modern
-  de energiebesparing bij het koken op gas is gering ten opzichte van de extra investering verbonden aan de aanleg van het kookgasnet. De besparing is 120 m3 voor een investering van f 600,- tot f 800,-
-  het electrisch koken bespaart geen brandstof maar wel aardgas, omdat de e Iectriciteitscentrales ook op kolen en kernenergie kunnen draaien
-  het kookgasnet vraagt extra ruimte in de grond
-  het koken op gas is minder veilig
De redenering, die pleit voor het wel aanleggen van het kookgasnet, is gebaseerd op de volgende overwegingen:
-  er bestaat een voorkeur voor gas bij de consument
-  bij het koken op electrieiteit moet ook rekening gehouden worden met de investeringen voor: de opwekking, het
electrieiteitsnet , duurdere pannen, duurdere fornuizen
-  kolen en kernenergiebesparingen zijn even belangrijk als aardgasbesparingen; het koken op gas vraagt minder primaire brandstof
-  het kookgasnet vraagt zo weinig ruimte, dat dit nooit problemen kan geven
-  kookgasvoorziening kenmerkt zich, evenals een voorziening voor electrisch koken, door een hoge mate van veiligheid
-  een electriciteitsmonopolie en afbouw van de infra­structuur voor aardgas is niet in het algemeen belang.
- 49 -
Samenvattend zijn de voorstanders van het kookgasnet van mening, dat de voorkeur van de bewoners en de bereikbare energiebesparing zwaar moeten wegen en dat de kosten in beide gevallen vergelijkbaar zijn wanneer de investerings­kosten, verbonden aan het electrisch koken, correct in rekening worden gebracht. Vooralsnog heeft deze argumentatie vrijwel geen effect gehad. De indruk bestaat, dat andere argumenten, machtsverhoudingen of misverstanden, een over­heersende rol spelen.
- 50 -
6.
CONCLUSIES T.A.V. OPTIMALE WOONVERWARMING
In het voorgaande werden enkele methoden van woonverwarming besproken met de daarbij behorende voor- en nadelen. Uitgaande van een eengezinswoning met een warmtegebruik van 83,1 Giga joule, en geïsoleerd volgens NEN 1068 klasse goed, zijn in het overzicht hierna globaal enkele bereikbare resultaten nog eens samengevat:
verwarmingsmethode
inves tering per woning in guldens
besparing in %
brand st o f-type
1.individuele c.v. rendement 70%
isolatie volgens NEN                               uitgangs-
1068 klasse goed                  2300             situatie
2.betere isolatie en c.v. ketel met 98% rendement                          5500-6500          50-60
3.als 2, plus bouw­kundige voorzieningen, zonne-energie e.d.          6500-12000        60-85
4.kleinschalige warmte­krachtinstallatie tot 1 MW                                          5500-6500            55-56
5 .middelschalig warmte­kracht sys t eem tot 10 MW                                       6500-7500            65-75
6.STEG unit 30-100 MW         6000-10000         70-75
7.aftap van grote stoom­turbinecent rale              6000-10000       55-65
gas
gas
gas
gas of lichte olie
gas of zware olie gas of lichte olie
alle brand­stoffen
- 51 -
De genoemde investeringsbedragen geven geen uitsluitsel over
de jaarkosten. Wel is er een duidelijke relatie, aangezien
het overwegend gaat om vergelijkbare afschrijvingsperioden
van werktuigbouwkundige installaties.
De investeringen voor betere c.v.-ketels gaan samen met een
relatief hoog onderhoudspercentage , maar daar staat weer
tegenover dat de isolatie-investeringen lage onderhouds- en
kapitaalkosten vergen.
Over het geheel genomen geeft de investeringshoogte dan ook
een goed beeld van de te verwachten jaarkosten voor rente,
afschrijving en onderhoud.
Uit het voorstaande overzicht kan worden geconcludeerd:
-  stadsverwarming, door aftap van stoomturbines, anders dan veelal gesteld, niet altijd de beste oplossing is
-  kleinschalige oplossingen soms niet beter zijn dan groot­schalige oplossingen
-  individuele woningverwarming soms aantrekkelijker kan zijn dan collectieve verwarming
-  de plaatselijk aanwezige situatie mede bepalend is voor de meest optimale verwarmingsmethode
Wat betreft de individuele ver warmingsmethoden werd in het voorgaande nog geen rekening gehouden met in-dividuele warmtepompen. Wat betreft de collectieve verwarmingssystemen is het ook mogelijk gebruik te maken van collectieve warmte­pompinstallaties, vuilverbrandingsinstallaties en industriële afvalwarmte.
Van bijzondere betekenis zijn verder de specifieke voordelen van kleinschalige systemen, ten aanzien van flexibiliteit en spreiding in de tijd van het investeringsniveau.
- 52 -
De eenzijdige benadering^, door een sterke voorkeur van grootschalige systemen in combinatie met relatief grote electriciteitscentralesjzal plaats moeten maken voor een veelzijdige benadering en een zorgvuldige optimalisatie.
- 53 -
7. LITERATUUR
1.     Gedecentraliseerde opwekking van electrieiteit . Uitgave Milieudefensie Amsterdam, januari 1976.
2.     Stadsverwarming Zwolle-Zuid. Uitgave IJsse leentrale, januari 1976.
3.     Interimrapport van de Beleidsadviesgroep Stadsverwarming (BAS), mei 1977.
4.     Besluitvorming bij stadsverwarming.
Jan Bijlsma, Rijksuniversiteit Groningen, april 1979.
5.     Warmtepomp en stadsverwarming.
K. Wassenaar (N.V. KEMA), Energiespectrum juni 1980.
6.     Evaluatie stadsverwarming Breda, en Stadsverwarming Hoorn.
Centrum voor Energiebesparing, oktober 1978 en november 1979.
7.     Stadsverwarming in Breda.
N.V. KEMA, 28 november 1977 en 5 januari 1978 (WPB 450-77 en WPB 169-78).
8.     Haalbaarheidsstudie stadsverwarming Lelystad. Tebodin, 31 augustus 1979.
9.     Stadsverwarming in discussie.
Theo Potma, maandblad Energiebesparing, nr . 2, mei 1980.
10. Stadsverwarming, verslag van een mondeling overleg door de Vaste Kamercommissie van Economische Zaken over stadsverwarming op 28 juni 1979. Tweede Kamer zitting 1979-1980, nr. 15 827, nr. 1.
- 54 -
11.   Energienota '74 en Energienota '79 deel 1-3.
Tweede Kamer 1974-1975, nr. 13 122 (nummers 1 en 2) en 1979-1980, nr. 15 802.
12.   Energiebesparing.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 1979.
13.   Het vergeten scenario.
Theo Potma, uitgave Meulenhoff Informatief, sept ember 1979.
14.   Woningraad Extra, Woningisolatie: verstandig aanpakken. Nationale Woningraad, april 1979.
15.   Besluitvorming bij Total Energy in ziekenhuizen. Els Janse, Vrije Studierichting Chemie Groningen, 3e fase onderzoekverslag, januari 1979.
16.   Goedkopere warmtedistributie door toepassing van kunst­stof.
T.P.M. Bontje, Energiebesparing, mei 1980, blz. 30-33.
17.   E in woonwijken.
Centrum voor Energiebesparing, oktober 1979.
18.   Energiebesparing met stationaire motoren en warmtepompen. P.B.N.A.-publicatie 14.94-48.5.
19.   Stadsverwarming Hoorn, Verkennende Studie KEMA, rapport WPB-733-78, maart 1979.
20.   Stadsverwarming Enschede.
Openbare Nutsbedrijven Enschede, juni 1979.
21. Kolen dicteren prijsplafond energie.
T. Potma, Energiebesparing 6 —7 — ' 8 0, pag . 4-8