ADVIES INZAKE BALJÉ VERSUS LEEFBAAR
DELFT/STOELINGA
D.J. Elzinga
Maart 2009
Dit advies bestaat uit de punten a t/m i.Onder deze punten worden de gestelde vragen beantwoord en ingegaan op
enkele annexe vragen en kwesties.
Waarborgen voor
volksvertegenwoordigers Voordat de kwestie Baljé versus Leefbaar Delft/Stoelinga wordt besproken, is het van belang enkele
opmerkingen te maken over de algemene positie van de volksvertegenwoordiger.
Qua rechten en plichten onderscheidt een volksvertegenwoordiger zich in
beginsel niet van een andere burger. Voor volkvertegenwoordigers bestaan
echter wel enkele aanvullende waarborgen. Deze waarborgen beogen om de
volksvertegenwoordiger in staat te stellen zijn of haar taak naar behoren uit
te oefenen. Tot de kern van die taak behoort het controleren van bestuurders
en het kunnen aankaarten van bestaande of vermeende misstanden. In vroeger
tijden probeerden gezagsdragers of bestuurders deze kritiek nog wel eens te
smoren door zich van volksvertegenwoordigers te ontdoen – bijvoorbeeld door
hen in de “Tower te werpen” - , de genoemde
waarborgen zijn thans hiervoor een adequate belemmering.
Volksvertegenwoordigers zijn bijvoorbeeld gerechtelijk onvervolgbaar voor
hetgeen ze in vergaderingen zeggen of voor hetgeen
ze schriftelijk aan de vergadering voorleggen. Het grondwettelijke verbod van
last garandeert een vergaande onafhankelijkheid jegens derden, zoals ook de financiële arrangementen de
noodzakelijke onafhankelijkheid van de volksvertegenwoordiger accenturen.
Hoewel volksvertegenwoordigers op dezelfde wijze aan de rechtsorde zijn
gebonden als andere burgers, wordt aangenomen dat zij zich – met name vanwege hun rol bij de wet- en regelgeving,
maar ook vanwege hun controlerende rol – uiterst kritisch kunnen uitlaten, ook
over die rechtsorde zelf. De noodzakelijke ruimte voor politieke strijd over
de vormgeving van die rechtsorde en over wat bestuur en ambtenaren doen en
laten, heeft tot gevolg dat in de regel de grenzen van de uitingsvrijheid voor
volksvertegenwoordigers wat breder worden getrokken. Een en ander komt mede
tot uitdrukking in art. 266 lid 2 Sr. Indien openbare belangen in het geding
zijn en worden beoordeeld is de ruimte wat groter, daarentegen kan strafverhoging aan de orde zijn bij
belediging van het openbaar gezag en gezagsdragers (zie art. 267 Sr.).
Oordeel
rechtbank In het oordeel van de Rechtbank Den Haag van
25 juli 2007 (256253/HA ZA 05-4049) wordt in beginsel een vergelijkbare lijn
getrokken. De Rb. oordeelt dat de vraag naar onrechtmatigheid van uitingen of
publicaties ligt in het spanningsveld tussen het recht op vrijheid van
meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en de goede
naam en de persoonlijke levensfeer anderzijds. Misstanden moeten aan de kaak
kunnen worden gesteld, maar burgers moeten ook worden beschermd tegen
lichtvaardige verdachtmakingen. Daarbij wordt tevens overwogen dat het hier
betreft een verhouding tussen wethouder en gemeenteraad. ‘Een dergelijke
publieke functie (die van wethouder-dje) brengt
mee dat zijn gedrag – meer dan voor een ‘gewone
burger’ het geval is – blootstaat aan openlijke kritiek in de media . (S) was
ten tijde van de publicatie fractievoorzitter van Leefbaar Delft en dus actief
in dezelfde politieke arena waar (B) van deel uitmaakte. In die politieke arena kunnen tegenstanders van elkaar meer
‘vuur’ verwachten en hebben zij meer van elkaar te dulden dan elders in het
maatschappelijke verkeer. Ook hierbij gelden echter grenzen. De
rechtbank zal hierna voor het onderhavige geval beoordelen of die grenzen al
dan niet zijn overschreden.’ De Rechtbankmaakt daarbij dan vervolgens een onderscheid tussen de periode
voor en de periode na het aftreden van wethouder Baljé op 13 mei 2005. Op 13 mei werd tevens het interne
onderzoeksrapport van de gemeente Delft gepubliceerd. Op 24 mei 2005
vergaderde de gemeenteraad en werd in meerderheid uitgesproken ‘dat de fractie
van Leefbaar Delft in deze kwestie op onverantwoorde en onfatsoenlijke wijze
is omgegaan met de tot haar gekomen informatie en dat zij de handelwijze van
de fractie van Leefbaar Delft ten sterkste afkeurt’. Voor publicaties die
duidelijk aan fractievoorzitter Stoelinga kunnen
worden toegerekend en die op de persoon van de afgetreden wethouder waren
gericht, neemt de Rb. onrechtmatigheid aan na de datum van 13 mei 2005.
Letterlijk concludeert de Rb het volgende: ‘De rechtbank is van oordeel dat
Leefbaar Delft en/of (S) na deze conclusie uit het interne rapport en de
duidelijke uitspraken van de gehele gemeenteraad redelijkerwijs niet meer door
kon(den) gaan met het publiekelijk uiten van beschuldigingen van corruptie. Op
dat moment was de aandacht die Leefbaar Delft vroeg voor het gesignaleerde
gedrag van (B) immers reeds gevestigd en bestond
er geen (politieke) noodzaak meer om dit publiekelijk aan de kaak te blijven
stellen. (B) had de politieke arena verlaten en de verdenking van de corruptie
was op dat moment in onderzoek bij de rijksrecherche. Met het publiekelijk
herhalen van verdenkingen en het ‘op de man spelen’ werd dan ook geen enkel
redelijk doel meer gediend. Leefbaar Delft en/of (S) hadden zich vanaf dat
moment dan ook dienen te onthouden van het in de media en op de website van de
fractie uiten van beschuldigingen aan het adres van (B). Indien Leefbaar Delft
en/of (S) van oordeel waren dat de onderzoeken en
de raadsuitspraken ontoerreikend c.q. onterrecht waren, hadden zij hun pijlen moeten richten
op degenen die voor die onderzoeken en uitspraken verantwoordelijk waren, en
die zich nog binnen de politieke arena bevonden.’ Het onderscheid tussen de
periode voor en na 13 mei 2005 is cruciaal in de uitspraak van de Rechtbank.
De vraag is echter of deze scherpe scheidslijn in alle opzichten overtuigend
is. Daarbij is in de eerste plaats de aard van het interne onderzoek van
betekenis en in de tweede plaats het onderzoek van de rijksrecherche.
Intern
onderzoekMede op verzoek van
wethouder Baljé besluit op 3 mei 2005 het college
aan de gemeentesecretaris opdracht te geven tot het uitvoeren van een intern
onderzoek naar de gang van zaken rond het subsidieverzoek gondels, alsmede met betrekking tot de beschuldigingen die waren
geuit over de vermeende corruptie van de wethouder. Hangende dit onderzoek
heeft Baljé zijn functie als wethouder tijdelijk
neergelegd. Het op een dergelijke wijze verrichten van onderzoek komt vaker
voor, maar is naar de vorm in deze kwestie wel opmerkelijk. Het college
verzoekt een ondergeschikte – de gemeentesecretaris – om bij andere aan het
college ondergeschikte ambtenaren te verifiëren of er aanknopingspunten of
signalen zijn voor de geuite beschuldigingen. Het op een dergelijke wijze
uitzetten van intern onderzoek is uiterst kwetsbaar en het verhoogt
aanzienlijk de kans dat na afronding van het onderzoek het verwijt wordt geuit
dat niet de onderste steen boven kon komen vanwege de bestaande ondergeschiktheidsverhoudingen en het mogelijk gebrek
aan ruimte in de ambtelijke dienst om het achterste van de tong te laten zien.
Ook de snelheid waarmee het onderzoek is verricht, veroorzaakt een aanvullende
kwetsbaarheid. Zo is in casu gebleken dat een van
de meest betrokken functionarissen (ambtenaar Speetgens) vanwege vakantie niet kon worden gehoord.
Omdat men snel een conclusie wilde, werd niet op zijn terugkeer gewacht. Na
publicatie van het onderzoek op 13 mei 2005 waren dan ook meteen verwijten te
horen over het onderzoek. De formele opzet van het onderzoek gaf daartoe
aanleiding, maar ook materieel werden hier door Leefbaar Delft
aanknopingspunten gevonden. Die materiële aanknopingspunten moeten – vooral
achteraf - mede worden bezien in het licht van de bevindingen van de
rijksrecherche. Om die reden worden over dat onderzoek nu eerst enkele
opmerkingen gemaakt.
RijksrechercheOp 10 mei 2005 doet fractievoorzitter Stoelinga tegen wethouder Baljé aangifte wegens corruptie en schending
ambtsgeheim. In dat kader vindt onderzoek plaats van de rijksrecherche. Op
basis van dit onderzoek deelt het OM op 9 september 2005 mee dat de
verdenkingen worden geseponeerd ‘wegens het
ontbreken van voldoende aanwijzing van schuld c.q. het ontbreken van wettig
bewijs’. Ook ziet het OM geen aanleiding tot vervolging van de eigenaar van de
pizzeria en fractievoorzitter Stoelinga. Ook dit
sepot wordt door de Rb. Den Haag gebruikt om de onrechtmatigheid van de
publicaties van Leefbaar Delft en Stoelinga te
onderbouwen, met name voor publicaties na 9
september 2005. Het onderzoek van de rijksrecherche vindt zijn neerslag in 4
proces-verbalen. Daarbij wordt een tweetal
ambtenaren verhoord dat betrokken was bij de financiële steunverlening aan de
eigenaar van de pizzeria. Uit deze verhoren blijkt dat de ambtenaren zich
onder druk gezet hebben gevoeld – ‘dienstopdracht’ –, aan de wethouder hebben
laten weten dat er collegebesluiten nodig waren en op grond van staand beleid
en procedures afwijzend stonden tegenover subsidieverlening en steunverlening
überhaupt. Dat er uiteindelijk toch een substantiële financiële bijdrage werd
verleend zonder collegebesluit, komt dan ook geheel op het conto van de
wethouder. In zijn verhoor ontkent de wethouder diverse elementen van de door
beide ambtenaren geschetste gang van zaken. Uit de processen-verbaal blijkt in
ieder geval wel dat de steunverlening aan de pizzeria-eigenaar een
uitzonderlijk karakter droeg, waarbij de normale procedures niet acht zijn
genomen en evidente besluitvormingsfouten zijn gemaakt.
Intern onderzoek
en processen-verbaal in combinatie. In het interne
onderzoeksverslag wordt geconcludeerd dat er procedurele ‘verbeterpunten’
noodzakelijk zijn op het punt van de financiële steunverlening. Ook voor
waarderingsbijdragen zou voortaan een collegebesluit nodig zijn. Vergelijkt
men evenwel de verhoren van de rijksrecherche met
de bevindingen van de gemeentesecretaris, dan zijn daar opmerkelijke
verschillen. Uit het interne onderzoek rijst een beeld op van coöperatieve,
welwillende ambtenaren en een reguliere relatie tussen wethouder en
ambtenaren. Uit de processen-verbaald rijst
echter een beeld op van ambtenaren die zich door de wethouder onder druk
voelen gezet, van waarschuwende ambtenaren en van ambtenaren die waarnemen dat
er besluitvormingsfouten worden gemaakt. Gerelateerd aan de transcripties van
de opgenomen gesprekken tussen de wethouder en de pizzeria-eigenaar doen deze
processen-verbaal een beeld ontstaan van een wethouder die per se een bedrag wil
toekennen voor de gondels, waarschijnlijk op basis van gedane toezeggingen.
Ondanks de ontkenningen van de wethouder rijst een beeld op cliëntelisme en een do-ut-des-verhouding. Door het sepot van 9 september
2005 en door het interne onderzoek van 13 mei 2005 worden weliswaar formele
momenten geschapen op basis waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat de
gewraakte aantijgingen iedere grond missen, kijkt men evenwel achter deze formele momenten naar de materiële
gang van zaken dan is er sprake van een wethouder die in een sfeer van cliëntelisme en do-ut-des
– zonder de noodzakelijke instemming van het college – een financiële
steunverlening doordrukt, waardoor onbevoegd isgehandeld.
In 2008 heeft de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (uitspraak
200801010/1) in deze casus vastgesteld dat de betreffende waarderingsbijdrage
als een subsidie moet worden aangemerkt. Ook uit deze uitspraak blijkt derhalve dat op aangeven van wethouder Baljé in 2005 een financiële bijdrage werd verleend
door een niet daartoe bevoegde instantie. Uit deze gereconstrueerde gang van
zaken blijkt dat ook na de publicatie van het interne onderzoek er in
objectieve zin voldoende feitelijk aanknopingspunt was voor de
veronderstelling dat de wethouder zich te zeer had gebonden aan zijn
opgebouwde verhouding jegens de eigenaar van de
pizzeria. De wel heel erg voorzichtige bevindingen uit het interne
onderzoeksrapport – procedurele gebreken met verbeterpunten – detoneren sterk
ten opzichte van de ambtelijke verklaringen die door de rijksrecherche zijn
opgenomen. Dat de verdenkingen uiteindelijk werden geseponeerd wegens gebrek
aan bewijs staat niet de conclusie in de weg dat de wethouder zich in een
verhouding heeft begeven die ernstig kon worden
bekritiseerd.
Transcripties Zou de kwestie
Baljé versus Leefbaar Delft/Stoelinga zich hebben beperkt tot de steunverlening aan
het gondelproject, dan zou kunnen worden geconcludeerd dat de beschuldigingen
van Leefbaar Delft en Stoelinga een nogal
disproportioneel karakter droegen. Worden daarbij echter ook de
telefoongesprekken die de wethouder voerde met vastgoedhandelaar Zegwaard en
Verkerk (toen wethouder van Den Haag) in de beschouwing betrokken, dan
bevestigen deze het beeld van een wethouder die met veel branie en met een wel
heel bijzonder gevoel voor bestuurlijke verhoudingen zijn ambt uitoefende. Dat
er geen aanwijzingen zijn gevonden voor stortingen van Zegwaard in de een of
andere campagnekas doet niets af aan de vaststelling dat alleen al het opperen
van deze mogelijkheid – zelfs al was het een grap -een
licht werpt op de integriteit van de betrokken bestuurder. Art. 362 lid 1, onder 3 jo.
lid 3 Sr. schept een strafverzwaring voor wethouders die giften, beloften of
diensten aannemen in ruil voor het verlenen van een faciliteit of het
ondernemen van een bepaalde actie. Uitlokking en poging tot uitlokking zijn
onder omstandighheden eveneens strafbaar. Het
opperen van de mogelijkheid voor een storting is niet alleen uiterst ongepast
voor een bestuurder, maar komt snel in de buurt van strafbaar of niet-integer
handelen of schenden van een ambtsplicht. De tip die de wethouder aan de
particuliere professional Zegwaard verstrekte, leidde zonder enige twijfel tot
een aanzienlijk prijsvoordeel voor Zegwaard bij de verkoop van grond. Zonder
deze informatie zou de betreffende transactie ongetwijfeld minder hebben
opgeleverd, even afgezien van de vraag of deze transactie ook daadwerkelijk
heeft plaats gevonden. Door het handelen van de wethouder moest de gemeente
Den Haag waarschijnlijk dieper in de buidel tasten dan normaal het geval zou
zijn geweest. De wethouder benadeelde door de tip aan Zegwaard derhalvede ‘respublica’ (het algemeen
belang) en dat staat op gespannen voet met de ambtsplicht van een bestuurder.
Door ook nog te hengelen naar een tegenprestatie – hoezeer ook later als grap
gekwalificeerd – handelde de wethouder op een uiterst onbetamelijke en niet te
accepteren manier. Ook is het opmerkelijk dat de gemeentesecretaris in zijn
onderzoek deze transcirpties niet heeft
meegenomen, waardoor in het interne onderzoek geen oordeel is geveld over dit
handelen van de wethouder. Uit de transcripties blijkt ten slotte dat de
wethouder ook op heel bijzondere wijze is omgegaan met de geheimhouding die is
bevolen rond de aanbeveling van een nieuwe burgemeester. Daarbij is niet
alleen het tijdstip van het gesprek met kandidaat Verkerk van belang, maar
vooral ook de inhoud van het besprokene. Die inhoud doet zien dat de
betrokkenheid van de wethouder bij de activiteiten van de vertrouwenscommissie
waarschijnlijk ook al in een eerdere fase aanzienlijk is geweest. Wethouders
zijn echter geen lid van de vertrouwenscommmissie
en kunnen reeds om die reden geen weet hebben van
wat er zich in die commissie afspeelt.
Feitelijk substraat voor aanhoudende
kritiek De stelling van de Rechtbank Den Haag dat de
aantijgingen van Leefbaar Delft en Stoelinga
hadden moeten stoppen na de bekendmaking van het interne onderzoeksrapport en
na de stellingname van de Delftse gemeenteraad moet worden gerelativeerd. Het
interne onderzoek was uiterst kwetsbaar vanwege de formele opzet, had geen
betrekking op de feiten uit de transcripties en was sterk wijkend van karakter
inzake de gang van zaken rond de subsidie aan de
eigenaar van de pizzeria. Achteraf bleek – uit de verhoren van de
rijksrecherche – dat er waarschijnlijk veel meer speelde dan in de interne
onderzoeksrapportage tot uitdrukking werd gebracht. Het standpunt van de
gemeenteraad baseerde zich geheel op dit interne rapport met formele en
mogelijke materiële gebreken, waardoor ook de positiebepaling van de raad
relativering behoeft. Bovendien komt in een
dergelijk standpunt een politiek en dus niet per se objectief oordeel tot uitdrukking. Ook de
stelling van de Rechtbank dat hangende een onderzoek van de rijksrecherche per
definitie terughoudendheid moet worden betracht in het politieke debat is niet
in alle opzichten houdbaar, met name niet omdat
kritiek op de wijze waarop het onderzoek werd gehouden niet of nauwelijsk adequaat is te onderscheiden van de
aanleiding tot dat alles. En die aanleiding was het bekritiseerde gedrag van
de wethouder. Als een zaak onder de rechter is, wordt van politici een zekere
terughoudendheid verwacht; indien alleen nog maar sprake is van onderzoek
geldt die ongeschreven fatsoensregel echter niet. De stelling van de Rechtbank
dat na aftreden een ambtsdrager niet meer kan worden bekritiseerd, omdat het
hem dan als burger raakt, kan evenmin in alle opzichten overtuigen. Naar
staatsrechtelijke norm wordt de politieke verantwoordelijkheid voor afgetreden
ambstdragers overgedragen aan de opvolger, hetgeen in extremo kan
betekenen dat opvolgers moeten aftreden vanwege de fouten van voorgangers
(voorbeeld staatssecretaris Van der Linden in de paspoortaffaire). Door deze
overgang van politieke verantwoordelijkhied
hebben volksvertegenwoordigers een zekere ruimte nodig om gedragingen van
afgetreden ambstdragers te blijven benoemen en
een bepaalde bestuurscultuur aan de orde te stellen, hoezeer daar ook een
zekere proportionaliteit in acht moet worden genomen. Ook bij parlementaire
enquêtes of daarmee vergelijkbare raadsonderzoeken zijn afgetreden
ambtsdragers wettelijk gehouden zich te verantwoorden. Ook hieruit blijkt dat afgetreden bestuurders in zekere zin nog
publieke figuren blijven en in doorlopende dossiers ook kunnen worden
bekritiseerd. Een ander moet tot de conclusie voeren dat het uiterst
matige gehalte van het interne onderzoek – naar vorm en inhoud -, het per
definitie politieke oordeel van de gemeenteraad, hetniet
gelden van de sub iudice-regel gedurende
feitenonderzoek en het feit dat afgetreden ambtsdragers vooral in doorlopende
dossiers in zekere zin publieke figuren blijven, kunnen billijken dat ook in
de periode 13 mei tot 9 september 2005 er voldoende feitelijk substraat
aanwezig was om eerdere aantijgingen jegens de
wethouder te herhalen, al dan niet gekoppeld aan kritiek op het interne
onderzoek.
Corruptie als
strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke termEen laatste punt betreft de vraag
of het sepot van 9 september 2005 wel als scheidslijn kan dienen om de
gewraakte publicaties wel of niet onrechtmatig te noemen. In algemene zin moet
worden vastgesteld dat een sepot niet voert tot de onweerlegbare conclusie dat
er geen sprake is van een strafbaar feit. Het strafrecht stelt hoge en
bijzondere eisen aan de toelaatbaarheid van bewijs. Veelvuldig wordt de
vergissing begaan dat het strafrecht de beslissende maatstaf is voor het wel
of niet kunnen uiten van bepaalde kwalificaties. Een besluit tot niet
vervolging in strafrechtelijke zin betekent in de politiek-bestuurlijke
context bepaald niet dat daarmee de kous af is. In tal van affaires –
waaronder de Peper-affaire in Rotterdam – kwam
naar voren dat het strafrecht, het staatsrecht en ook het civiele recht hun
eigen maatstaven en reikwijdte hebben. Zo kunnen bepaalde vormen van
belangenverstrengelingen vergaande politiek-bestuurlijke of publiekrechtelijke
consequenties hebben – van ontslag tot disciplinaire maatregelen – terwijl er
geen aanleiding is voor strafrechtelijk optreden. Deze verschillen komen ook
semantisch tot uitdrukking. Wanneer een bestuurder aan de leiband loopt van
bepaalde maatschappelijke sectoren of wanneer een bestuurder wordt beschuldigd
van een vergaande vorm van belangenverstrengeling valt in het vuur van het
politieke debat maar al te vaak de term corruptie indien vormen van patronage
of cliëntelisme worden bedoeld. Zo is in en
buiten de Tweede Kamer met regelmaat de beschuldiging te horen dat ministers
en bestuurders van de Nederlandse Antillen en Aruba – soms met naam en toenaam
- corrupt zijn en wel omdat op deze eilanden allerlei vormen van cliëntelisme en patronage zouden voorkomen. In de
Koninkrijksverhoudingen worden deze kwalifciaties
als onbetamelijk en sfeerbedervend gekwalificeerd. De kwalificaties hebben
evenwel hoofdzakelijk een politieke connotatie en
geen strafrechtelijke of civielrechtelijke, hetgeen tevens verklaart dat
schadeclaims inzake deze kwalificaties achterwege blijven en er ook geen
activiteit is van de strafrechtelijke autoriteiten.
Politiek en
onrechtmatigheid De stelling van de Rechtbank dat
politici en bestuurders een dikkere huid moeten hebben waar het gaat om de
onderlinge kwalificaties kan worden onderschreven. Onrechtmatigheid in deze
sector moet dan ook wat minder snel worden aangenomen dan in andere sectoren
van de samenleving. De scheidslijn die de Rechtbank evenwel maakt tussen de periode voor en na 13 mei 2005
moet om allerlei – boven aangegeven - redenen – sterk worden gerelativeerd.
Deze scheidslijn kan niet erg overtuigen. Ook na 13 mei 2005 bleef de kwestie
ingebed in een sterk gepolitiseerde context, waardoor de conclusie van
onrechtmatigheid en schadeplichtigheid voor die periode niet erg overtuigend
is. Die overtuiging ontbreekt vooral ook omdat er tal van feitelijke
aanknopingspunten aanwezig waren om het gedrag van (ex)wethouder Baljé te bekritiseren.
--Forwarded
Message Attachment--
1
What can you do with the new Windows Live? Find out